Zoek

   Gericht zoeken   

Schrijf u in op de Alert Newsletter


Minerva promoot als tijdschrift voor Evidence-Based Medicine de verspreiding van onafhankelijke, wetenschappelijke informatie en brengt een kritische duiding van relevante publicaties uit de internationale literatuur.


Inhoud mei 2022


Kijken naar de beste praktijken: daar leren we van...

Pagina 71 - pagina 72 

Remmen R.  

Kijken naar wat goed gaat kan een enorme impuls geven aan het opkrikken van de kwaliteit van de eerstelijnszorg. De bijdrage van O`Malley geeft een mooie kapstok om naar kwaliteitsdomeinen te kijken. Het kan ook aanleiding geven om de onderliggers van goede kwaliteitszorg in een specifieke en lokale context goed onder de loep te nemen. Misschien is de tijd in België nu ook aangebroken om wat meer en beter naar de beste eerstelijnsprakijken te kijken?


Delegatie van medicatietoediening van verpleegkundigen naar zorgondersteuners in de eerstelijnszorg

Pagina 73 - pagina 78 

Goossens E.  

Deze methodologisch correct uitgevoerde systematische review met kritisch interpretatieve synthese van 20 kwantitatieve, kwalitatieve en mixed method studies toont aan dat delegatie van medicatietoediening van verpleegkundigen naar andere types van zorgondersteuners in de eerstelijnszorg een complex proces is. Door de heterogeniteit van de geïncludeerde studies blijven de resultaten vaag. Deze literatuurstudie dient dan ook beschouwd te worden als een eerste systematische exploratie van barrières en faciliterende factoren die een invloed kunnen hebben op de implementatie van delegatie van medicatietoediening van verpleegkundigen naar zorgondersteuners in de eerstelijnszorg. Heldere en consistent regelgevende, bestuurlijke kaders en procedures omtrent taakdelegatie, alsook een duidelijke beleidsvoering, een kader tot opleiding en vaardigheidstraining, een bepaling van de noodzakelijke supervisie en een duidelijk afsprakenkader wat betreft de verantwoordelijkheden, blijken de belangrijkste aandachtspunten te zijn die in deze literatuurstudie geïdentificeerd worden. Deze literatuurstudie levert echter geen enkele wetenschappelijke basis voor de beoordeling van de impact van deze vorm van delegatie op de efficiëntie, veiligheid en kwaliteit van geleverde patiëntenzorg.


Het effect van eHealth-toepassingen op hypertensiemanagement

Pagina 79 - pagina 82 

De Cort P.  

Deze methodologisch correct uitgevoerde netwerkmeta-analyse van heterogene studies met een vaak onduidelijk of hoog risico van bias toont aan dat verschillende eHealth-toepassingen, zoals telefoongesprek, smartphone-app en een combinatie van verschillende digitale tools, een zwak tot matig effect hebben op de verlaging van systolische en diastolische bloeddruk. Voor de meeste toepassingen ziet men ook een statistisch significant effect op bloeddrukcontrole.


Wat is het langetermijneffect van het herstarten van antiplaatjestherapie na het doormaken van een intracerebrale bloeding?

Pagina 83 - pagina 86 

Wouters A., Swinnen B.  

Deze verlengde opvolging van de gerandomiseerde RESTART-studie bevestigt de initiële resultaten dat het heropstarten van antiplaatjestherapie buiten de acute fase na het doormaken van een intracerebrale bloeding niet leidt tot een toename van nieuwe symptomatische intracerebrale bloedingen. Door het blijvend tekort aan statistische power is er nood aan grotere gerandomiseerde en gecontroleerde studies om dit te bevestigen.


Ouderen kunnen na een heupfractuur langer thuis blijven wonen met een uitgebreid oefenprogramma?

Pagina 87 - pagina 90 

De Coninck L., Peeters N.  

Deze open-label gerandomiseerde gecontroleerde studie bij ouderen die heelkunde en revalidatie ondergingen na een heupfractuur, kon na 24 maanden geen verschil aantonen in het aantal dagen thuisblijven na een langdurig, gesuperviseerd, gestructureerd en progressief opbouwend oefenprogramma in vergelijking met gewone zorg. Door een tekort aan power is dit resultaat echter onzeker.


Wat zijn de percepties van verpleegkundigen ten aanzien van emotionele intelligentie in de klinische praktijk?


18 05 2022 

Senden C.  

Deze methodologisch correct uitgevoerde kwalitatieve systematische review toont aan dat emotionele intelligentie essentieel is voor de verpleegkundige praktijk en een positieve invloed kan hebben op iemands persoonlijke ontwikkeling, interpersoonlijke relaties en professionele prestaties. De resultaten van deze studie zijn echter beperkt extrapoleerbaar. Toekomstig onderzoek zal meer geografisch gespreid moeten zijn en zal alle sectoren binnen het domein van de verpleegkunde, alsook het onderwijs, erbij moeten betrekken.


Geen nut van antibiotica voor lage luchtweginfecties bij kinderen in de huisartsenpraktijk


18 05 2022 

Domen J.  

Deze dubbelblinde gerandomiseerde placebogecontroleerde studie van goede methodologische kwaliteit toont aan dat het geven van amoxicilline 50 mg/kg 3 dag driemaal per dag gedurende een periode van 7 dagen bij kinderen met een ongecompliceerde lage luchtweginfectie niet leidt tot een vermindering in duur van matig erge symptomen. Evenmin was er een klinisch relevante winst in de ernst van de symptomen. De studie had onvoldoende power om een verschil in ongewenste effecten vast te stellen.


Mortaliteit na een heupfractuur na implementatie van een orthogeriatrisch zorgprogramma onder begeleiding van een verpleegkundige


18 05 2022 

Vergauwen K.  

Deze retrospectieve observationele studie met onbekende confounders suggereert dat de mortaliteit na een heupfractuur daalt bij het volgen van een orthogeriatrisch zorgprogramma geleid door een verpleegkundige in vergelijking met standaardzorg. Ook heeft het zorgprogramma een positieve invloed op de verblijfsduur en terugkeer naar de thuissituatie. Extrapolatie is niet mogelijk maar de resultaten van deze studie kunnen wel aanzetten tot verder onderzoek.


Nut van zout- (natrium-) restrictie bij hartfalen?


18 05 2022 

De Cort P.  

Deze methodologisch correct uitgevoerde open-label RCT met een follow-up van één jaar, toonde geen daling van totale sterfte en aantal hospitalisaties of spoedgevallenbezoeken wegens hartfalen door middel van zout-(natrium-)restrictie in de voeding versus een normale voeding bij ambulante patiënten met chronisch hartfalen. Omdat de vooropgestelde steekproefgrootte niet bereikt werd en het berekend verschil in natriumconsumptie tussen interventie- en controlegroep beperkt was, mist de studie echter voldoende power om definitieve conclusies te trekken. Het is wachten op de resultaten van andere lopende RCT’s om de richtlijnen eventueel te bevestigen of aan te passen.


Interventies om gewichtstoename na rookstop te voorkomen


18 05 2022 

Boudrez H.  

Uit deze methodologisch correct uitgevoerde systematische review en meta-analyse van meestal kleine studies met vaak een hoog risico van bias blijkt dat geen enkele interventie een langdurig effect heeft op gewichtstoename na rookstop. Verder onderzoek is zeker nuttig naar het afremmend effect op gewichtstoename en de abstinentiegraad van een gepersonaliseerd ondersteuningsprogramma voor gewichtscontrole bij personen die wensen te stoppen met roken. Ook het langetermijneffect op gewichtstoename van nicotinesubstitutie, bupropion, fluoxetine en nicotinesigaretten als hulpmiddel bij rookstop moet verder onderzocht worden.



Kijken naar de beste praktijken: daar leren we van...

De eerstelijnszorg in ons land is divers. Er zijn veel verschillende verschijningsvormen, gaande van solowerkende artsen tot (grotere) groepspraktijken. In die laatste zien we ook steeds meer complementair werkende professionals aan de slag gaan. Denk daarbij bijvoorbeeld aan praktijkassistenten, verpleegkundigen, psychologen, kinesisten, bewegingscoaches en diëtisten. Een belangrijk kenmerk van eerstelijnszorg is dat ze zich voortdurend aanpast aan de plaatselijke omstandigheden. Zo zal een praktijk zich anders ontwikkelen in een kleine gemeente dan in een multiculturele wijk van een stad. Maar wat alle eerstelijnsprofessionals bindt is dat zij zich inzetten om, binnen hun mogelijkheden en context, de best mogelijke zorg aan te bieden. Telkens opnieuw horen we in zowel de federale als de regionale overheden ook dat kwaliteit een hoeksteen van onze gezondheidszorg is (1). Toch wordt het steeds duidelijker dat er vaak verschillen zijn in deze kwaliteit wat ook erkend wordt door onze beleidsmensen. In ons land is er echter vooral aandacht voor de relatief kleine groep van slecht presterende zorgverstrekkers. Een klein legertje van RIZIV-controleurs houdt routinematig verzamelde gegevens in de gaten om zo de bad appels te kunnen identificeren (2). Deze gegevens vormen trouwens ook de basis van de feedback over bijvoorbeeld het voorschrijfgedrag die alle huisartsen in dit land regelmatig in de bus krijgen en waarbij ze vergeleken worden met hun beroepsgenoten.

 

O`Malley et al voerden een systematisch literatuuronderzoek uit waarbij nu eens niet op de slechtste maar wel op de top-presenterende praktijken gefocust werd (3). Ze stellen zich de vraag welke achterliggende factoren belangrijk zijn die bepalen waarom sommigen het beter doen dan anderen. Om de kwaliteit in onze eerstelijnszorg te verbeteren zijn er aanwijzingen dat dit een meer effectieve aanpak kan zijn dan het bestraffen van minder goede praktijken (4). De 27 geïncludeerde studies besteedden het meeste aandacht aan de twee eerste stappen van het 4-stage positive deviance model (zie tabel 1) (5). Hierbij zijn stap-1-gegevens meestal eenvoudig beschikbaar; denk hierbij aan de routinegegevens waar het RIZIV zich van bedient. Stap-2-gegevens zijn aanvullend en belangrijk maar wat lastiger te verzamelen; denk hierbij aan praktijkbezoeken en interviews met patiënten of professionals in de praktijk. De laatstgenoemde gegevens plaatsen de eerstgenoemde gegevens in perspectief. Ze zijn de onderliggers en verklaren waarom in die bepaalde situatie een praktijkvorm zo goed uit de verf kan komen. De verdienste van O’Malley et al is dat ze tot een instructief schema komen waarin de succesfactoren onderzocht en benoemd kunnen worden. Het begint bij de hulpvrager (bijvoorbeeld een goed geïnformeerde patiënt). Dan gaat het via de kwaliteiten van de hulpverlener (die voldoende tijd neemt) naar het mesosysteem (aandacht voor innovatie en continue scholing van de medewerkers, leiderschap en goede praktijkorganisatie), naar het netwerk in de streek (bijvoorbeeld hoe de eerstelijnspraktijken samenwerken met andere voorzieningen) en nog wat hogerop komen de (nationale) randvoorwaarden in het vizier (financieel, maar ook het ter beschikking stellen van voldoende richtlijnen, zoals de voor ons bekende richtlijnen voor goede praktijkvoering van Domus Medica en WOREL, de werkgroep richtlijnen van Ebpracticenet, of de antibioticagids van BAPCOC).

 

Toen ik het artikel van O’Malley las, dacht ik terug aan een dikke 10 jaar geleden. Vanuit de Europese netwerken waren de beroepsorganisaties van huisartsen in sommige landen al bezig met het opbouwen van hun eigen kwaliteitssystemen. In België werd dit geprobeerd door tenminste één organisatie. Zo zette Domus Medica het zogenaamde Praktijk Ondersteunend Project op (6). Dat is helaas ten grave gedragen omdat deze beroepsorganisatie er toen de stekker eruit trok. Misschien was de tijd er nog niet rijp voor. In Nederland is intussen wel de zogenaamde praktijkaccreditering ontstaan. Heel veel eerstelijnspraktijken ondergaan uit eigen beweging en los van de betalers van de zorg een accrediteringstraject. Steeds meer zie je echter dat zo`n accreditering een voorwaarde wordt voor certificering, bijvoorbeeld bij het hernieuwen van de licentie om als huisarts te mogen werken.

 

Besluit

Kijken naar wat goed gaat kan een enorme impuls geven aan het opkrikken van de kwaliteit van de eerstelijnszorg. De bijdrage van O`Malley geeft een mooie kapstok om naar kwaliteitsdomeinen te kijken. Het kan ook aanleiding geven om de onderliggers van goede kwaliteitszorg in een specifieke en lokale context goed onder de loep te nemen. Misschien is de tijd in België nu ook aangebroken om wat meer en beter naar de beste eerstelijnsprakijken te kijken?

 

Tabel 1.

 

Het 4-staps positieve uitschieter raamwerk (4-stage positive deviance model)

Stap 1

Identificeren van de beste praktijken aan de hand van routinegegevens

Stap 2

Genereren van hypothesen waarom men erin slaagt zo goed te zijn: op patiëntniveau, hulpverlenersniveau; microsysteem van de praktijk; meso-systeem; macrosysteem; netwerken en nationaal niveau

Stap 3

Testen van deze hypothesen in meer praktijken

Stap 4

Het opschalen naar andere op een nog groter niveau

 

Referenties  

  1. RIZIV. Opdrachten van het RIZIV. Url: https://www.riziv.fgov.be/nl/riziv/Paginas/opdrachten-riziv.aspx (website bezocht op 25/04/2022).
  2. RIZIV. De dienst voor geneeskundige evaluatie en controle. Url: https://www.riziv.fgov.be/nl/riziv/Paginas/dienst-geneeskundige-evaluatie-controle.aspx (website bezocht op 25/04/2022).
  3. O'Malley R, O'Connor P, Madden C, Lydon S. A systematic review of the use of positive deviance approaches in primary care. Fam Pract 2021:cmab152. DOI: 10.1093/fampra/cmab152
  4. Van Herck P, De Smedt D, Annemans L, et al. Systematic review: Effects, design choices, and context of pay-for-performance in health care. BMC Health Serv Res 2010:10:247. DOI: 10.1186/1472-6963-10-247
  5. Bradley EH, Curry LA, Ramanadhan S, et al. Research in action: using positive deviance to improve quality of health care. Implement Sci 2009;4:25. DOI: 10.1186/1748-5908-4-25
  6. Een POP in de praktijk. Domus Medica 29/03.2012. Url: https://www.domusmedica.be/actueel/een-pop-in-de-praktijk

 

 

 

 

 

 


Download het volledige nummer in pdf-formaat


Laatste update website: 18/05/2022